Symposium “Wat doen we met het orgel?” 5 juli 2025 Wageningen

Verslag van een symposium over de Nederlandse orgelcultuur

 

Jan Smelik

 

“Het zal toch niet!” dacht ik toen ik op zaterdag 5 juli in de auto stapte, op weg naar Wageningen. Daar zou het zeventigjarig jubileum van het Flentrop-orgel in de Grote Kerk groots gevierd worden met een symposium, concerten en een heuse danceparty. Nederland had net een paar vrolijke zomerdagen achter de rug, maar juist die zaterdag sloeg het weer om: herfstachtig koud en grijs. Zou dit deprimerende weer een voorbode zijn van een al even sombere stemming over de toekomst van de orgelcultuur?

 

Gelukkig bleek een depressieve sfeer in de Grote Kerk van Wageningen ver te zoeken. Het symposium legde de volle nadruk op opbeurende ontwikkelingen. Ondanks alle zorgen, die tijdens het symposium zeker ook verwoord werden, werd vooral gewezen op hoopvolle perspectieven: vanuit een rijk verleden leiden nieuwe wegen naar een toekomst vol kansen voor het orgel.

Die beweging werd in Wageningen niet alleen verwoord, maar ook muzikaal verklankt in de programmering van de concerten. Want voorafgaand aan het symposium vond een traditionele – in de goede zin van het woord – orgelbespeling plaats. Gonny van der Maten speelde twee werken die haar voorganger Bé Hollander in 1955 bij de ingebruikname van het Flentrop-orgel had uitgevoerd: de Eerste Sonate van Paul Hindemith en het Preludium en Fuga in G (BWV 541) van Johann Sebastian Bach. Na het symposium en de gezamenlijke maaltijd volgde het themaconcert ‘Van spiritualiteit naar dance’. Daarin klonk de verbreding door van het orgel als traditioneel religieus instrument naar een veelzijdige rol in uiteenlopende seculiere contexten. Van der Maten opende dat concert met het mystiek-religieuze Spiegel im Spiegel van Arvo Pärt. Daarna volgden drie composities van Wouter Hakhoff, gebaseerd op de inhoudelijk en typografisch eigenzinnige gedichten van Paul van Ostaijen. De uitvoerenden waren de componist-trompetist zelf, slagwerker Glenn Liebaut en organist Mark Heerink. Tot besluit speelde Alexander de Bie de Prélude et Danse Fuguée (1964) van Gaston Litaize – een opmaat naar de afsluitende danceparty met The Falcons, DJ GERWE en Alexander de Bie. Deze slotact begon om 21.15 uur en trok ruim 250, voornamelijk jonge bezoekers.
Van de dag, organisatorisch en inhoudelijk uitstekend verzorgd door de Stichting Flentrop Orgel Wageningen, was het symposium het meest relevant om in dit artikel aandacht te geven. Wat daar besproken werd, oversteeg namelijk het lokale belang en raakte aan vraagstukken die voor de hele Nederlandse orgelcultuur belangrijk zijn. Het gesprek vond plaats in een kring, midden in de kerk en onder de prettige leiding van Sander Zwiep, presentator bij NPO Klassiek.

 

Uitstekende orgels, dalend gebruik

Erik Winkel, directeur van Flentrop Orgelbouw, stelde dat de orgels in Nederland over het algemeen in uitstekende conditie zijn, mede dankzij restauratiebudgetten en de inzet van hooggekwalificeerde orgelmakers.

Tegelijkertijd merkte hij een zorgwekkende trend op: waar Flentrop twintig jaar geleden nog zo’n 1600 stem- en onderhoudsbeurten had, is dit nu gehalveerd. Deze daling, waarmee ook collega-orgelbouwers te maken hebben, weerspiegelt de afname van het kerkelijke gebruik van orgels. Kerksluitingen leiden tot verweesde orgels die nauwelijks bespeeld worden. “Je ziet een toenemend aantal instrumenten die niet zo lang geleden gerestaureerd zijn, maar waar niemand meer op speelt.” Deze ontwikkeling noemde de orgelbouwer desastreus voor de instrumenten, ook al is hun kwaliteit in Nederland uitzonderlijk hoog in Europees perspectief. De rijke restauratieervaring en knowhow die Nederlandse orgelmakers in de afgelopen decennia opgebouwd hebben, is een belangrijke reden waarom Nederlandse orgelmakers internationaal gewild zijn.

Maar Nederland loopt wat betreft kerksluitingen en ontkerkelijking in Europa voorop. In Engeland en Duitsland kijkt men dan ook naar Nederland om te leren hoe wij onze grote kerken en orgels in stand houden, ondanks de afnemende kerkelijke functie.

Winkel benadrukte de grote orgeldichtheid en diversiteit in Nederland. Wat betreft de markt ziet hij een verschuiving: als gevolg van kerksluitingen is er een groeiende handel in tweedehands orgels. Hoewel verplaatsing van orgels een onderdeel van het werk is, ziet Winkel zichzelf vooral als creatief kunstenaar die nieuwe orgels bouwt. Tegelijkertijd waarschuwde hij voor het verdwijnen van historische orgels, die soms zomaar ergens worden opgeslagen en zo uit het zicht raken. Als voorbeeld noemde hij het orgel van de Westerkerk in Leeuwarden, dat onopgemerkt opgeslagen ligt op de zolder van de Grote Kerk. Hoeveel historische orgels verdwijnen op soortgelijke wijze uit het zicht (en gehoor)?
Zeker voor instrumenten met de monumentenstatus is dit onaanvaardbaar. Daarom werkt de Vereniging Orgelmakers Nederland (VON) aan een ‘zwartboek’ van bedreigde instrumenten en een manifest om de politiek te overtuigen van de urgentie. De VON hoopt hiermee de wettelijke bescherming van orgels beter af te dwingen en het behoud te waarborgen. De directeur van Flentrop benadrukte dat het behoud van het Nederlands orgelpatromonium ook een kwestie is van wetshandhaving, want: “Een orgel is beschermd, maar in de praktijk lukt het niet om die bescherming te effectueren.”

 

Herbestemming en duurzaam gebruik

Veel kerkgebouwen worden gesloten en krijgen een nieuwe bestemming. Martin Moree, bestuurslid van de Stichting Oude Gelderse Kerken, vertelde hoe uitdagend het is om dan historische kerkorgels in stand te houden. Zijn stichting is verantwoordelijk voor 22 kerken, een synagoge en enkele torens. “Het voordeel is dat de meeste van die gebouwen nog als kerk in gebruik zijn, al is dat niet overal meer wekelijks het geval.” Juist door het afnemende gebruik is het lastig de orgels goed bespeelbaar te houden: “Zonder religieuze functie zoeken we naar duurzame culturele invullingen waarbij het orgel een rol kan spelen.” Daarom werkt de stichting met orgelmentoren op locaties zonder vaste organist.

Een belangrijk knelpunt is de financiering van restauraties. Voor bekende orgels, zoals het Bader-orgel in de Walburgiskerk van Zutphen, is vaak nog wel subsidie te verkrijgen, maar voor onbekendere instrumenten blijkt fondsenwerving moeizaam. “SIM-subsidies dekken maar 50%, de rest moet je zelf bij elkaar sprokkelen,” aldus Moree. De steun van lokale politiek is daarbij wisselend, “dus het moet vooral komen van plaatselijke commissies en creatief fondsenwerven.”

De stichting onderhoudt contact met vergelijkbare organisaties in Friesland en Groningen. Moree prees de samenwerking, maar tegelijkertijd verwoordde hij zorgen over provincies waar zulke stichtingen niet zijn, zoals in Noord-Holland. Hij wees op het gevaar dat weinig bespeelde orgels sneller achteruitgaan; “Een orgel doet het het beste als het regelmatig bespeeld wordt.” (Dat werd later die middag nadrukkelijk bevestigd door Erik Winkel). De Stichting Oude Gelderse Kerken wil meer doen om orgels bespeelbaar te houden en te promoten.” Maar Moree sloot af met een oproep: “We zullen er met zijn allen heel hard aan moeten trekken… Vooral zorgen dat je handen en voeten op de klavieren blijft houden.”

 

Peter Ouwerkerk, directeur-producent van het Internationale Orgelfestival Haarlem, bestuurslid van de stichting J.P. Sweelinckprijs en initiatiefnemer-motor achter het jongerenproject StayTuned, schetste de bredere culturele context waarin het orgel zich vandaag de dag bevindt: “De kerk was eeuwenlang het habitat van het instrument,” maar door ontkerkelijking en de opkomst van lichte kerkmuziek neemt het belang van het orgel in de eredienst af. Die ontwikkeling vraagt volgens Ouwerkerk om het bestaansrecht van het orgel, ook buiten de context van de kerk, opnieuw te formuleren.

Daarom heeft hij het initiatief genomen om te onderzoeken of de Nederlandse orgelcultuur als geheel – dus niet alleen de instrumenten, maar ook de educatie, het vakmanschap en het gebruik – op de UNESCO-lijst voor immaterieel erfgoed kan worden geplaatst. “Dat klinkt misschien als een idioot idee, het is in elk geval geen artistiek maar een politiek verhaal. Je moet het idee op de goede manier bij de juiste mensen krijgen.” Inmiddels heeft dit initiatief groen licht gekregen van het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), en lijkt het plan steeds meer kans van slagen te hebben.

Ouwerkerk benadrukte dat het doel breder is dan alleen de erkenning: “Zelfs als plaatsing op de UNSESCO-lijst niet lukt, levert het sowieso media-aandacht op en komt de orgelcultuur meer onder de aandacht.” Hij pleitte voor goede samenwerking tussen orgelbouwers, conservatoriumdocenten, en andere betrokkenen om deze culturele beweging te ondersteunen.

 

Plaatselijke praktijken

Als gevolg van de ontkerkelijking, waarbij kerkgebouwen afgestoten en orgels als liturgische instrumenten verdwijnen, moet gezocht worden naar nieuwe, seculiere functies voor de instrumenten. In dit verband is de stadsorganist relevant, een functie die de afgelopen decennia in diverse steden weer ingevoerd is.

Mark Heerink vertelde hoe hij in Hoorn, waar hij stadsorganist is, vorm probeert te geven aan een levendige orgelcultuur, ondanks het feit dat de stad niet beschikt over uitgesproken grote of beroemde instrumenten. De titel ‘stadsorganist’ biedt een goede ingang bij de gemeente, maar “de titel alleen is niet genoeg”, aldus Heerink. Het is essentieel dat het orgel als ‘klinkend erfgoed’ wordt beleefd. Hoewel er binnen de gemeente Hoorn een goed georganiseerde afdeling voor monumentenzorg en erfgoed bestaat en er ook fondsen beschikbaar zijn, blijft de verbinding met de muzikale praktijk vaak onderbelicht: “Daarop wordt eigenlijk altijd weer beknibbeld.”

In vergelijking met steden als Alkmaar of Haarlem heeft Hoorn minder aantrekkingskracht voor de orgelliefhebber. Toch zag Heerink hierin een uitdaging: hoe breng je de bestaande orgels én de orgelcultuur toch onder de aandacht, onder meer bij de plaatselijke bevolking? Het antwoord ligt in samenwerking, creativiteit en publieksgerichtheid. Hij werkt met verschillende kerken samen en organiseert diverse concerten, ook buiten het traditionele orgelpubliek. “Je moet de oude achterban meenemen, maar ook nieuwe groepen aanspreken.” Zo combineerde hij orgel met jazz en hedendaagse composities, wat tot verrassende en succesvolle concerten leidt.

De sleutel is volgens Heerink een gastvrije aanpak, goede publiciteit, verbinden met locale verhalen, en het richten op kwaliteit in plaats van kwantiteit. “Niet te veel organiseren.” In plaats van een Bach-serie te organiseren op een minder geschikt instrument, wordt bewust gekozen voor programma’s die passen bij de stad en het publiek. Zo groeit in Hoorn een nieuwe, relevante orgelcultuur.

Waar in Hoorn de orgelcultuur van onderaf wordt opgebouwd met creatieve publieksbenadering, klinkt in Rotterdam een ander geluid, al zijn er ook duidelijke overeenkomsten. Hayo Boerema, organist van de Rotterdamse Laurenskerk en conservatoriumdocent aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag, stelde dat het in Rotterdam enige moeite kost om belangstelling te kweken voor de orgelcultuur. Maar in Laurenskerk “is het geen enkel discussiepunt dat het orgel een belangrijk ding is.” Er is veel mogelijk, van traditionele concerten tot experimentele evenementen – zelfs een houseparty heeft plaatsgevonden. “Dat was wel een dieptepunt hoor, maar het is wel gebeurd.” Deze experimenteerdrang heeft geholpen om te onderzoeken wat wél werkt, en waar het publiek op aanslaat, aldus Boerema.

De Laurenskerk kent een unieke organisatievorm: een stichting die zowel het gebouw als de culturele programmering beheert met subsidie van de gemeente. Die subsidie biedt ruimte, maar stelt ook eisen. “De zegen is het geld, de vloek is de voortdurende veranderende voorwaarden: nu is het inclusie, dan weer talentontwikkeling….” Dit leidt soms tot scheve verhoudingen waarbij cultuurmakers nauwelijk inspraak hebben en “voor een door cultuurmanagers vooraf bedacht programma mogen opdraven.”

 

Herorientatie

Waar Boerema vooral wees op de spanningen tussen culturele autonomie en beleidsmatige bemoeienis, plaatste Johan Luijmes zijn ervaringen in een breder perspectief. Vanuit zijn werk in het Orgelpark te Amsterdam, als stadsorganist van Arnhem en als inwoner van het Friese Dronrijp, liet hij zien dat het orgel zich in een fase van heroriëntatie bevindt, waarin het traditionele gebruik verschuift naar nieuwe vormen. Daarbij benadrukte hij de kansen die deze transitie biedt: het orgel als verbindende kracht, als artistiek laboratorium en als instrument met een groeiende internationale belangstelling. Luijmes wees erop dat organisten als enigen onder de musici wekelijks publiek hebben, vaak al vanaf jonge leeftijd. Tegelijkertijd is er vrijwel niemand die van orgelconcerten kan leven. Toch pleit hij voor méér concerten, niet als verdienmodel, maar als bindmiddel in lokale gemeenschappen: “In Dronrijp zie je dat het orgel mensen samenbrengt – van grootgrondbezitter tot dorpsbewoner.” Die verbindende kracht sluit aan bij pleidooien om het orgel cultureel te herpositioneren, los van de kerk alleen.

Volgens Luijmes zijn er kansen voor vernieuwing. Zo weten componisten van elektronische muziek hun weg te vinden naar het orgel, juist vanwege de akoestiek, de fysieke klank, en de combinatie met nieuwe technologieën als MIDI. Het Van Straten-orgel in het Orgelpark, een reconstructie van een vijftiende-eeuws instrument, trekt opvallend veel componisten aan die juist afkomen op de ‘echtheid’ van de klank, een contrast met de elektronische wereld waarin ze doorgaans werken. Het Koninklijk Conservatorium in Den Haag beschikt over een grote compositieafdeling met tientallen studenten. Wanneer er een project in samenwerking met het Orgelpark wordt aangekondigd, is dat doorgaans als eerste volgeboekt. Dat laat zien hoeveel belangstelling er is om zich artistiek te verhouden tot het orgel. De drempel om met het instrument te werken, is aanzienlijk verlaagd en dat is duidelijk merkbaar. Daardoor kan het bijvoorbeeld gebeuren dat een orgelcompositie wordt bekroond met de belangrijkste nationale compositieprijs. De transitie waarin het orgel zich bevindt, blijkt dan geen verval, maar een hernieuwde bloei van artistieke en maatschappelijke betekenis.

Luijmes signaleert ook dat het orgel kan functioneren binnen bredere muziekculturen. “Voor elke niche is er een publiek.” De transitie waarin het orgel zich bevindt, is volgens hem geen verlies, maar een heroriëntatie om het instrument als cultureel erfgoed én als artistiek medium toekomst te geven.

 

Jonge aanwas

Er kunnen uiteraard prachtige plannen ontwikkeld worden om het orgel in nieuwe contexten een plaats te geven. Maar – om een bekende antimilitaristische leus uit de jaren zestig te parafraseren – stel je voor: er is een orgelconcert, maar niemand kan het geven.
Peter Ouwerkerk bracht dit aspect nadrukkelijk naar voren: “Het is fantastisch wat er nu gebeurt, maar kan het ook over vijftig jaar?” Hij ziet dat de ontkerkelijking hierbij een grote rol speelt: “Als je niet als kind in een kerk een orgel ziet of hoort, dan klinkt het ook helemaal niet. Wat je niet kent, dat ga je niet doen.” Daarom besloot hij tijdens de coronaperiode zijn werkzame leven helemaal te richten op de aanwas van jonge organisten: “Als een kind vóór de tiende levensjaar enthousiast gemaakt is, dan heb je ze.” Een inspirerend voorbeeld vond hij in Vlaanderen, waar ze zijn gestopt met traditionele orgellessen en zijn overgestapt op ‘klavierles’. Kinderen maken daar spelenderwijs kennis met verschillende toetsinstrumenten. “Het grappige is: elk kind kiest het orgel als het meest fascinerende instrument.”

Voor tieners ontwikkelde hij het project StayTuned, omdat pubers andere behoeften hebben dan jonge kinderen: “Pubers willen dingen samen doen, zonder al te veel ouders erbij.” Door ze een paar keer per jaar samen te brengen rond een inspirerend orgel en een goede docent, ontstaat er iets bijzonders. “De rest gaat vanzelf.” In drie jaar tijd deden zo’n 75 tieners mee, goed voor circa 150 activiteiten. Sommigen haakten zelfs pas af toen ze eigenlijk al te oud waren voor het project.

Ouwerkerk pleitte voor een doorgaande leerlijn van jonge kind tot gevorderde speler, met ruimte voor prijzen en erkenning. Zijn inzet is een voorbeeld van hoe passie en visie een toekomst kunnen bieden aan het orgel: “Je moet kinderen in aanraking brengen met het orgel — en dan heb je ze te pakken.”

 

Artistieke waarde en bereik

Naast het behoud van orgels, het recruteren van toekomstige organisten, kwam op het symposium uiteraard ook het publiek in beeld. Sander Zwiep wees op de Britse organiste en dirigente Anna Lapwood die een jong en groot publiek weten te bereiken via platforms als YouTube, TikTok en Instagram. Haar succes toont aan dat het orgel juist dankzij zijn veelzijdigheid ook in een visueel en digitaal tijdperk kan floreren. Ook door diverse bezoekers van het symposium werd gepleit om nieuw publiek voor het orgel te werven door je aan te passen aan de moderne tijd en zijn behoeften. Hiermee kwam een fundamentele vraag op tafel die verder reikt dan programmering of educatie, namelijk: moet in de orgelcultuur gestreefd worden naar een zo groot mogelijk publiek, of ligt de waarde juist in de artistieke inhoud, ongeacht het bereik? Is succes meetbaar in bezoekersaantallen of in artistieke diepgang en programmering? Een paar symposiumbezoekers pleitten om meer in te spelen op een breed publiek, zowel wat communicatiemiddelen betreft als het repertoire dat je speelt.

Hayo Boerema en Peter Ouwerkerk reageerden kritisch en genuanceerd op deze oproep. Boerema stelde dat de hedendaagse cultuur sterk gericht is op de persoon in plaats van op de kunst: “Wat heel interessant is aan deze tijd is dat het ontzettend idolatrisch is. Dus er is een soort verering van de persoon en niet van de kunst.” In dat verband vond hij dat Anna Lapwood door haar presentatie op cd-hoezen bijna als popidool worden afgebeeld: “Je zou echt denken dat het een van de Spice Girls is.” Volgens hem leidt dit tot een verkeerde focus binnen het orgelvak, waarin jonge spelers denken dat ze moeten imiteren wat ze zien in de media. Boerema waarschuwde dat dit misleidend is: “Het wordt natuurlijk een gigantische teleurstelling als ik een jurk zou aantrekken en een ander repertoire zou spelen.” Hij pleitte  ervoor de kern van het vak niet te verliezen: muziek als doel, niet als middel. Tegenover het ik-gerichte optreden en programmeren stelt hij een andere uitdaging: “Kunnen wij nou met het repertoire wat we hebben, en in onze manier van programmeren, het repertoire zélf centraal stellen?”

Peter Ouwerkerk wilde het debat breder trekken en wees op het belang van storytelling. Hij zag dat het orgel vaak negatief wordt neergezet in de media. “Hoe vertel je een goed verhaal?” en “Een positief verhaal brengen is echt een kunst.” Hij zou het daarom een goed idee vinden als organisten meer mediatraining zouden krijgen: “Hoe ga je nou je verhaal vertellen, echt op een positieve manier dat het ook breed resoneert?” Daarmee bepleitte hij geen concessies aan de inhoud, maar wel een eigentijdse, overtuigende vorm van communicatie.

 

Besluit

Het symposium in Wageningen liet duidelijk zien dat het orgel zich in een cruciale transitiefase bevindt. De instrumenten zijn technisch in uitstekende staat, maar de maatschappelijke context vraagt om actie om ze ook een goede toekomst te geven.

De ontkerkelijking en veranderende functie van het orgel in de liturgie vragen daarbij om nieuwe culturele en seculiere bestemmingen. Samenwerking tussen erfgoedorganisaties, burgerlijke overheid en musici is hierbij noodzakelijk. Daarbij moet ervoor gewaakt worden dat de creatieve en artistieke verantwoordelijkheid van de organist niet ondergesneeuwd onder allerlei eisen met betrekking tot subsidies, publieksparticipatie en publieksaantallen. De orgelcultuur staat voor de uitdaging een goed evenwicht te vinden tussen artistieke integriteit en publieksbereik, waarbij eigentijdse communicatie en storytelling een belangrijke rol kunnen spelen.

Het waarborgen van de toekomst van het orgel hangt bovendien nauw samen met de aanwas van jonge organisten, die via vernieuwende educatieve projecten en inspirerende praktijkervaringen moeten worden aangemoedigd om het orgel hun instrument te laten worden. Zo blijft het orgel niet alleen erfgoed, maar vooral een levendig, relevant instrument dat zich steeds opnieuw weet te verbinden met nieuwe generaties organisten en met nieuwe luisteraars.